Amoureuze en pikante geschiedenis van het congres en de stad Utrecht. Augustinus Freschots verhaal achter de Vrede van Utrecht, Erik Tigelaar (red.)

Reviewer: Wouter van Dijk

Erik Tigelaar (red.), Amoureuze en pikante geschiedenis van het congres en de stad Utrecht. Augustinus Freschots verhaal achter de Vrede van Utrecht.

vertaling: Roland Fagel

Uitgeverij Verloren, Hilversum 2013
ISBN: 978-90-8704-361-2

Paperback, ingenaaid, geïllustreerd, met noten en bibliografie
176 pagina’s
€ 15, 00

Schandalen tijdens het vredescongres

Ter ere van het 300-jarig jubileum van de Vrede van Utrecht is in het Utrechts Archief momenteel een tentoonstelling te zien over een wat minder bekend aspect van het vredescongres; namelijk hoe de hoge heren diplomaten en hun gevolg zich buiten de onderhandelingen vermaakten in de stad. Bij het inrichten van deze tentoonstelling was de schandaalkroniek van Augustinus Freschot een welkome bron van informatie. Na onderzoek in de archieven bleek bovendien dat veel details uit Freschots boek op waarheid berusten, in tegenstelling tot wat voorheen veelal gedacht werd. Om deze opzienbarende ontdekking te vieren is daarom besloten Freschots kroniek, oorspronkelijk in het Frans, voor het eerst in een Nederlandse vertaling uit te geven, voorzien van geschiedkundig commentaar.
Erik Tigelaar, afdelingshoofd Publiek en Presentatie bij het Utrechts Archief, en Roland Fagel, vertaler van historische studies van onder andere Emmanuel Le Roy Ladurie en Jacques Le Goff hebben voor deze uitgave de handen ineengeslagen. Het boek van Freschot is geschreven als een briefroman, waarbij de schrijver een aantal brieven schrijft, in dit geval twaalf, aan een fictief persoon. In deze brieven worden de schandalen en roddelverhalen die hem zoal ter ore zijn gekomen beschreven. Na (bijna) elke brief volgt een toelichting van Tigelaar. Hierin staan enkele achtergronden van de in de brief beschreven gebeurtenissen. Ook wordt hierin afgewogen in hoeverre het verhaal van Freschot op waarheid berust. Echter, voor de lezer bij de eerste brief van Freschot arriveert, geeft de door Tigelaar geschreven inleiding enige achtergrondinformatie over de Spaanse Successieoorlog (1702-1713), die met het congres in Utrecht formeel beëindigd werd. Daarnaast vertelt Tigelaar het een en ander over de achtergrond van het boek van Freschot, over de auteur, de inhoud en vorm van de kroniek en hoe deze bij verschijnen ontvangen werd.
In zijn voorwoord zwaait Tigelaar vertaler Fagel de nodige lof toe omdat deze er zo uitstekend in geslaagd is zo dicht bij het taalgebruik van de oorspronkelijke Franse tekst te blijven. Tevens laat hij even verderop weten dat Freschot’s buitengewoon wollige, langdradige en omfloerste taalgebruik een hoofdrol speelde bij het ontmaskeren van hem als auteur van deze schandaalkroniek, die oorspronkelijk anoniem werd uitgebracht. Dat Fagel zijn vak zo goed verstaat  is voor de lezer echter minder prettig. De brieven lezen zeer moeizaam, en zinnen van vier, vijf regels of meer zijn niet uitzonderlijk. Een voorbeeld:

‘Buiten een bewonderaar uit haar eigen natie, die haar geruime tijd een rijtuig ter beschikking stelde, heeft zij ook nog andere particulieren zo ver weten te krijgen haar met geschenken te overladen en derhalve staat haar deur altijd open voor wie het een en ander te besteden heeft, of zij begeeft zich naar de behuizingen van de betrokkenen om daar de bewijzen van hun vrijgevigheid te ontvangen.’ (p. 36)

Dit voor de lezer vervelende taalgebruik is natuurlijk niet verwijtbaar aan de redacteur of de vertaler, juist omdat ervoor gekozen is zo dicht mogelijk bij de originele tekst te blijven. Wat wel een redactioneel verwijtbaar minpunt is aan het boek, is de zeer summiere historische toelichting van het verhaal achter elke brief, en de vrijwel afwezige historische inkadering van de gebeurtenissen die plaatsvinden in het boek. Juist de toelichting die achter veel brieven volgt zou voor een publicatie als deze een perfecte manier zijn om niet alleen de gebeurtenissen waarover Freschot schrijft te verduidelijken zoals de redacteur veelal gedaan heeft. Naast het koppelen van  Freschot’s personages aan historische personen en hun wederwaardigheden te beschrijven zoals Tigelaar doet, biedt een toelichting juist de kans de historische context en achtergrond uiteen te zetten van de fenomenen die de setting zijn van Freschot’s anekdotes. Voorbeelden hiervan zijn de bals voor de hogere standen en hun functie in huwelijkspolitiek of diplomatie buiten de onderhandelingstafel, of bijvoorbeeld de rol en plaats in de maatschappij van bordelen en prostituees in de achttiende-eeuwse Republiek. Een concreet voorbeeld hiervan is de vierde brief, waar een anekdote over de belevenissen van Maria de Neufville en de beau monde van Utrecht en het congres de wens oproept naar wat meer historische context en achtergrond over de omgang tussen dames en heren van stand in de Republiek van de vroege achttiende eeuw.
Een ander gewoonte die historiografisch gezien meer aandacht verdient door de prominente plaats die hij inneemt in de brieven, is het gebruik om in de strenge calvinistische hogere milieus in veel gevallen toch ‘amoureuze en pikante’ omgang tussen jongeman en dochter oogluikend toe te staan, wanneer er een aannemelijke kans op een huwelijk was. Wat dat betreft is het jammer dat Tigelaar zo dicht bij de letterlijke tekst blijft, en een gemiste kans om dit een historisch waardevollere uitgave te laten worden. Dit neemt niet weg dat het aan de toelichtingen bij de brieven zichtbaar is dat er flink wat archiefonderzoek aan vooraf is gegaan. De gedetailleerdheid van wat Tigelaar vermeldt maakt dit duidelijk. De lezer blijft echter achter met het gevoel dat er meer uit een initiatief als dit te halen was geweest.

Wouter van Dijk

De tentoonstelling Hoge pruiken, plat vermaak in het Utrechts Archief is nog te bekijken tot en met 25 november 2013.

www.hetutrechtsarchief.nl