Constantijn de Grote. Traditie en verandering, Olivier Hekster en Corjo Jansen (red.)

Reviewer: Josha Stribos

Olivier Hekster, Corjo Jansen [red.], Constantijn de Grote. Traditie en verandering

Met bijdragen van Sible de Blaauw, Olivier Henkster, Vincent Hunink, Corjo Jansen, Eric Moormann, Peter Nissen, Paul Stephenson en Rick Verhagen

Uitgeverij Vantilt (Nijmegen 2012)
ISBN: 9789460040962

 Paperback, geïllustreerd in kleur, met bibliografie, register, notenapparaat en landkaarten

 208 pagina’s
€ 16, 95

Constantijn de Grote

Constantijn de Grote regeerde van 307 tot 337 over het Romeinse Rijk. Hij is de geschiedenis ingegaan als de eerste christelijke keizer en de stichter van Constantinopel, de plaats die tijdens zijn regeerperiode zou uitgroeien tot de belangrijkste stad van het keizerrijk. De heerschappij van Constantijn had grote invloed op de godsdienst, maar ook op de Romeinse cultuur en rechtspraak. Constantijn wordt dan ook vaak als grote vernieuwer gepresenteerd. Maar in hoeverre kunnen we de veranderingen die destijds plaatsvonden toeschrijven aan de keizer zelf? Kunnen we spreken van radicale omwentelingen, of zijn de veranderingen het natuurlijk vervolg van ontwikkelingen van eerdere decennia? En waarin week Constantijn precies af van de klassieke traditie? Aan de hand van deze vragen zijn door een negental historici essays geschreven die elk een ander aspect van Constantijns ‘vernieuwingen’ belichten. De essays zijn samengebracht in Constantijn de Grote. Traditie en verandering onder redactie van hoogleraar Oude Geschiedenis Oliver Hekster (Radboud Universiteit Nijmegen) en hoogleraar Rechtsgeschiedenis en Burgerlijk Recht Corjo Jansen (Radboud Universiteit Nijmegen).
In de inleiding gaan de redacteuren kort in op het leven van de keizer en bespreken ze zijn belangrijkste wapenfeiten, zoals de overwinning op medekeizer Maxentius bij de Milvische brug in 312. Ook de legendevorming rond Constantijn komt aan bod. De keizer zou bijvoorbeeld voor de slag bij de Milvische brug een visioen hebben gehad waarin een kruis verscheen met daarbij de woorden in hoc signo vinces (‘in dit teken zult u overwinnen’). Zijn soldaten zouden vervolgens het chi-rhomonogram (de eerste twee letters van Christus’ naam in het Grieks) op hun schilden hebben aangebracht, waarna ze – met God aan hun zijde – de vijand wisten te verslaan. Hekster bespreekt in zijn essay de continuïteit van Constantijns keizerschap. Hij komt tot de conclusie dat de regeringswijze van de keizer op veel punten volstrekt traditioneel was. Constantijns keuze voor de christelijke God was weliswaar vernieuwend, maar het was in die tijd niet ongebruikelijk voor een keizer om zijn heerschappij te koppelen aan een bepaalde godheid. Een aantal keizers in de derde eeuw had zelfs al eerder geprobeerd zich onder de hoede van een ‘nieuwe’ godheid te plaatsen. De overstap naar een monotheïstische godsdienst was ook minder radicaal dan vaak gedacht, aangezien de zonnegod Sol Invictus in de jaren voor Constantijns keizerschap al steeds meer werd gezien als de oppergod. Het Edict van Milaan in 313, waarbij werd bepaald dat er voortaan vrijheid van godsdienst in het keizerrijk zou heersen is eveneens in een lijn van eerdere ontwikkelingen te plaatsen. Maxentius had namelijk reeds in 308 de christenvervolging een halt toegeroepen. Aan de hand van de Boog van Constantijn, het bekende monument in Rome, laat Hekster zien dat Constantijn de traditie van zijn voorgangers voortzette: de reliëfs op de ereboog verwijzen naar eerdere goede keizers en de klassieke keizerlijke deugden. Dat Constantijn vandaag de dag wordt gezien als een revolutionaire vernieuwer is vooral te danken aan het succes van het christendom. De keizer en de mensen om hem heen maakten slechts, aldus Hekster, ‘op creatieve wijze gebruik van bestaande tradities’.
De vernieuwing van het Romeinse recht tijdens Constantijns keizerschap wordt besproken door Jansen en Verhagen. Net als zijn voorgangers probeerde Constantijn zijn stempel op de geschiedenis te drukken door de wetgeving aan te passen. De christelijke inspiratie is enigszins terug te zien in het familierecht. Zo stond hij een echtscheiding alleen maar toe wanneer de man of vrouw een strafbaar feit pleegde, bijvoorbeeld als de man een moordenaar was, of de vrouw een echtbreekster. Een dergelijke wetgeving was echter ook al aanwezig in het ‘oude’ recht, en als Constantijn strikt de christelijke leer zou hebben gevolgd zou hij echtscheiding volledig verboden hebben. Of deze wetgeving uit godsdienstige overwegingen is voortgekomen is dus nog maar de vraag. Constantijn zorgde voor een verhoogde vrijlating van slaven. Achter deze keuze kan een christelijke motivatie gezocht worden, maar ook in de heidense wereld kwam destijds de neiging op om de slavernij terug te dringen. Bovendien speelde de slavernij ten tijde van Constantijn niet meer de cruciale economische rol die zij in voorgaande eeuwen vervulde. Volgens Jansen en Verhagen was Constantijns wetgeving voornamelijk ingegeven door economische en fiscale motieven. Hij zocht daarbij inhoudelijk aansluiting bij en ging uit van het klassieke Romeinse recht.
Nissen onderzoekt wat de bekering van Constantijn heeft betekend voor de geschiedenis van het christendom. Het staat vast dat dankzij de steun van Constantijn het christendom in zeer korte tijd heeft kunnen uitgroeien tot de dominante religie van de westerse wereld. Of dit iets gunstigs is wordt echter door veel historici en theologen in twijfel getrokken. Vaak wordt de naam van de keizer verbonden aan wat ‘de zondeval van het christendom’ wordt genoemd: de staatskerk die uit Constantijns keizerschap is voortgekomen ging gepaard met wereldlijke macht, dwang en geweld, verschijnselen die lijnrecht tegenover de oorspronkelijke boodschap van Jezus staan. Of Constantijn oprecht bekeerd is laat Nissen in het midden, maar hij acht het goed mogelijk dat het een nuchtere politieke keuze is geweest. Het christendom was in de derde eeuw namelijk de gerespecteerde religie van de maatschappelijk bovenlaag van Rome en de snelst groeiende godsdienst in het keizerrijk.
De essays van Sibbe de Blaauw (hoogleraar Vroegchristelijke kunst en architectuur, Radboud Universiteit Nijmegen), Eric Moormann (hoogleraar Klassieke archeologie, Radboud Universiteit Nijmegen), Vincent Hunink (docent Klassiek en vroegchristelijk Grieks en Latijn, Radboud Universiteit Nijmegen) en Paul Stephenson (hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis, Radboud Universiteit Nijmegen) behandelen de invloed van Constantijn op de architectuur, kunst en literatuur. Ook op deze terreinen zien we hoe Constantijn traditie en vernieuwing laat samenkomen. Zo implementeerde de keizer bijvoorbeeld de Romeinse centraalbouwtradities in de christelijke kerkbouw, een keuze die een grote impact heeft gehad op de architectuurgeschiedenis. In de kunst en literatuur verschenen langzaamaan christelijke elementen, maar deze vonden nog altijd plaats binnen de oude, bestaande kaders van het klassieke Rome.
In de heldere, beknopte slotbeschouwing concluderen Hekster en Jansen – zoals verwacht – dat op alle terreinen de veranderingen die onder Constantijn plaatsvonden moeten worden genuanceerd: ‘De regeerperiode van Constantijn was minder een revolutie dan een creatief gestuurde evolutie. De grootste verandering onder Constantijn was de manier waarop verschillende tradities bijeen werden gebracht en werden gepresenteerd. Misschien is verandering door middel van traditie de beste omschrijving van de regeerperiode van Constantijn de Grote.’ Constantijn de Grote is een wetenschappelijk boek: door historici, voor historici. Uit alle essays blijkt dat er uitstekend onderzoek aan vooraf is gegaan. De historici putten uit een breed scala aan bronnen, alle beweringen zijn voorzien van noten en de auteurs weten overtuigende argumenten aan te dragen om de centrale vragen te kunnen beantwoorden.
Hoewel de meeste essays vrij toegankelijk zijn geschreven, is een gedegen voorkennis noodzakelijk om alles te kunnen begrijpen. Dit is vooral het geval bij het essay van Stephenson, dat zó uitvoerig uitweidt over de details van Constantijns monumentenbeleid dat de tekst mijns inziens alleen maar interessant is voor de kunsthistorici die op dit terrein zijn gespecialiseerd. In zijn fascinatie voor Constantijns obelisken lijkt Stephenson zo nu en dan aan het centrale thema van het boek voorbij te gaan.
Al met al staat het boek als wetenschappelijke publicatie als een huis. De auteurs doen een uitstekende poging om feit en mythe rond Constantijns keizerschap van elkaar te scheiden. Wie meer wil weten over een bepaald aspect van Constantijns invloed op de geschiedenis kan uit de essays genoeg informatie putten. De teksten kunnen overigens ook prima los van elkaar gelezen worden. Ben je echter op zoek naar een boek dat globaal en toegankelijk de geschiedenis van Constantijns keizerschap beschrijft, dan zijn er genoeg andere boeken beschikbaar die meer geschikt zijn.

Josha Stribos