Hans van der Sloot en Ingrid van der Vlis
Cornelis Haga, 1578-1654. Diplomaat en pionier in Istanbul
Uitgeverij Boom, (Amsterdam 2012)
ISBN: 978 94 6105 706 8
Hardcover, rijk geïllustreerd in kleur, met notenapparaat en register
256 pagina’s
€ 29, 50
Cornelis Haga, diplomaat en pionier in Istanbul
In 2012 werd gevierd dat de Nederlands-Turkse diplomatieke betrekkingen vierhonderd jaar bestonden. Hans van der Sloot en Ingrid van der Vlis hebben, in opdracht van de gemeente Schiedam, ter ere van dit jubileumjaar een biografie uitgebracht over de eerste Nederlandse gezant in het Ottomaanse Rijk: Cornelis Haga. In hun werk Cornelis Haga, 1578-1654. Diplomaat en pionier in Istanbul trachten zij Haga’s bijzondere levensloop en diplomatieke kwaliteiten te verklaren. Van der Sloot is een Schiedamse historicus die zich vooral bezighoudt met plaatselijke geschiedenis. Van der Vlis doet onderzoek op verschillende gebieden maar heeft zich gespecialiseerd in sociale geschiedenis en stadsgeschiedenis.
Op chronologische wijze wordt zijn leven door hen in elf hoofdstukken besproken, waarbij ook de nodige historische context wordt gegeven. Haga werd in 1578 geboren in Schiedam in een familie van kooplieden en reders die lokaal aanzien genoot. In het tweede hoofdstuk blijkt dat hij echter koos voor een loopbaan als jurist en ging studeren in Leiden. In 1599 begon Haga aan zijn ‘grand tour’, waarbij hij ook Istanbul aandeed. Dit was geen logische bestemming voor een dergelijke reis, maar de auteurs kunnen deze keus helaas niet verklaren. Na terugkeer begon Haga zijn carrière als advocaat bij het Hof van Holland. In ditzelfde hoofdstuk bespreken Van der Sloot en Van der Vlis de eerste contacten tussen de Republiek en het Ottomaanse Rijk. Door parallel Haga’s levensloop en de geschiedenis van de diplomatieke betrekkingen te bespreken wordt duidelijk toegewerkt naar het moment waarop deze verhaallijnen samenkomen. Een opmaat voor zijn latere ambassadeurschap was de opdracht die hij in 1609 ontving van de Staten-Generaal: Haga werd naar de koning van Zweden gezonden om twee gekaapte koopvaarders terug te halen.
In 1612 besloten de Staten-Generaal tot een gezantschap in Istanbul, op uitnodiging van Halil Pasja, de Turkse minister van marine. Deze Halil Pasja zou de belangrijkste contactpersoon van Haga worden in de omgeving van de Sultan. De Staten-Generaal koos voor Cornelis Haga als hun afgevaardigde vanwege zijn kwaliteiten en ervaring als diplomaat. De opdracht die hij meekreeg was het zorgen voor een capitulatie (een brief waarin de sultan privileges verleende onder de voorwaarde van vriendschap, de gebruikelijke manier om een relatie met een christelijk land te bezegelen) het vrij krijgen van christenslaven en het beschermen van de handelsbelangen. Na een aantal jaar kwam daar een extra taak bij: schade toebrengen aan de Habsburgse, Spaanse en roomse zaak.
De capitulatie werd in 1612 getekend, vlak na Haga’s eerste audiëntie bij de Sultan. In zijn andere taken was hij echter minder succesvol. Eén van de redenen hiervoor was een constant tekort aan geld. In zijn brieven naar de Staten-Generaal vroeg de ambassadeur herhaaldelijk om extra bijdragen, voornamelijk om geschenken te kunnen kopen. Voor het aanzien van de Nederlandse delegatie en het dagelijkse contact tussen de ambassadeurs en het hof van de sultan waren deze geschenken noodzakelijk. Haga klaagde ook over het uitblijven van zijn eigen salaris.
De afgevaardigde uit de Republiek zorgde er echter wel voor dat hij zelf niets tekort kwam. Door leningen te verstrekken tegen een hoge rente had hij een extra inkomen. Zijn andere inkomsten zouden uit de handel moeten komen, via de consulaten. De Nederlandse kooplieden waren echter niet blij met het oprichten van een consulaat in Aleppo dat zich met hun zaken bemoeide en weigerden daar gebruik van te maken, waardoor deze inkomsten sterk tegenvielen. Toen Haga zijn ambassade vestigde in 1612 was de koopvaart op de Levant nog aan het groeien. Hij lobbyde via zijn brieven bij de Staten-Generaal voor een organisatie die de kooplieden kon beschermen en ook de lastgelden kon innen. De oprichting van de Directie van de Levantsche Handel was een stap in de goede richting, maar de macht van dit orgaan was volgens Haga niet groot genoeg. Na verloop van tijd richtten de Nederlandse koopvaarders zich echter minder op de Levant, waar men door de aanwezigheid van kapers te grote risico’s liep.
De auteurs hebben niet alleen gebruik gemaakt van brieven en rapporten die Haga zelf heeft geschreven. Uit brieven van andere westerse ambassadeurs en tussenpersonen komt soms een ander beeld van Haga naar voren. Bij de Staten-Generaal kwamen namelijk klachten binnen over de losbandige levensstijl van Haga en zijn ‘grote spilzucht’. De kosten die hij maakte kon hij echter altijd verantwoorden en deze klachten hadden voor hem uiteindelijk geen gevolgen. Door ook van deze bronnen gebruik te maken wordt een completer beeld van de ambassadeur gevormd, waarbij ook zijn minder positieve kanten aan bod komen.
Een voorbeeld van Haga’s hang naar luxe was de ontvangst van zijn verloofde Aletta Brasser in 1623. Zij werd in Istanbul ontvangen als was zij een prinses, met veel vertoon van pracht en praal en onder grote belangstelling van de bevolking. Als welkomstgeschenk ontving zij twee slavinnetjes. Aletta paste zich snel aan zijn luxe levensstijl aan. De Haga’s stonden bekend om hun gastvrijheid en het huwelijk was een succes. In hun huis ontvingen zij diverse reizigers uit de Republiek, waaronder hoogleraar Arabische talen Jacobus Golius, die met Haga’s steun veel documenten en manuscripten verzamelde.
In de jaren die volgden veranderde de politieke situatie in het Ottomaanse Rijk. De sultan werd een aantal keer vervangen na een opstand, wat voor veel onrust zorgde. In 1628 verzocht Haga in een brief aan de Staten-Generaal om een opvolger, zodat hij met zijn vrouw kon terugkeren naar de Republiek. Hij kreeg hier echter nog geen toestemming voor, waardoor hij in de jaren daarna zijn verzoek bleef herhalen. In de tussentijd voerde Haga zijn opgelegde taken uit. Het vrijkopen van slaven was een lastige zaak die geen prioriteit meer had sinds het uitbreken van de Dertigjarige oorlog (1618-1648). Haga was hierin vooral actief bij het tegenwerken van de Spaanse en Habsburgse machtsuitbreiding. Door deze politieke taken verdween de handel meer naar de achtergrond.
Door het afnemen van de koopvaardij in de Levant was de interesse vanuit de Republiek voor de regio afgenomen. Toen Haga in 1638 eindelijk toestemming kreeg om te vertrekken uit Istanbul was nog geen opvolger aangewezen. Bij terugkeer in de Staten-Generaal benadrukte hij het belang van een ambassade in de Ottomaanse stad, om de huidige vriendschappelijke relatie te handhaven. Vanuit de Republiek was dit belang op zowel politiek als economisch gebied echter minder urgent en er werd geen opvolger benoemd. Haga werd door de Staten-Generaal nog eenmaal gevraagd om zelf terug te keren, wat hij onder voorwaarden accepteerde, maar dit werd niet doorgezet.
In 1645 kreeg Haga de eervolle functie van president van de Hoge Raad. Negen jaar later overleed hij in Den Haag, waarna hij werd begraven in de Grote Kerk te Schiedam. Een jaar later overleed ook zijn vrouw. Het echtpaar liet geen kinderen na. Zij namen op hun reis naar de Republiek echter wel een vrouw en haar dochter mee, die tot het personeel van de Haga’s hadden behoord. De dochter was geboren vlak voor de aankomst van Brasser in Istanbul. De auteurs stellen dat deze dochter wel eens van Haga zelf geweest zou kunnen zijn.
Van der Sloot en Van der Vlis hebben getracht om met alle beschikbare bronnen het leven van Cornelis Haga te reconstrueren. Door ook veel politieke en economische context te geven ontstaat een compleet beeld van de periode en omstandigheden waarin Haga zijn werk als afgevaardigde van de Staten-Generaal uitvoerde. De behoefte van de auteurs om veel historische achtergrond te geven zorgt soms helaas voor onzorgvuldigheden. Als een christelijke slaaf in de Ottomaanse steden zich bekeerde tot de islam was deze niet automatisch een vrij man, zoals zij schrijven. (zie: Robert Davis, Christian slaves, muslim masters: white slavery in the Mediterranean, The Barbary coast, and Italy, 1500-1800 (Londen 2003)). Waarschijnlijk hebben de auteurs lacunes in de beschikbare bronnen willen opvullen met achtergrondinformatie, maar dit leidt soms af van de hoofdlijn van het verhaal.
Zij maken wel de parallellen tussen Haga’s carrière en de economische groei van de Republiek zichtbaar. Het belang van zijn post in Istanbul nam af naarmate de handel in de Levant minder werd. Ook komt, dankzij het gebruik van de diverse correspondenties als bron, een beeld naar voren van de persoon Cornelis Haga en zijn karaktereigenschappen. Het was een ijdele man (met een indrukwekkende baard), die hield van luxe en soms meer bezig was met zijn eigen geldzaken dan het vrijkopen van de christenslaven. Ondanks dat was Haga wel goed ingeburgerd in de diplomatieke cultuur van Istanbul en dit zorgde voor goede verhoudingen tussen de Sultan en de Republiek.
Een interessant nevenaspect van de biografie is dat het boek een inkijk bied in de diplomatieke praktijk van de vroege zeventiende eeuw. Het contact met de andere ambassadeurs, de roddels die de ronde deden maar ook de geschenken die aan de Sultan en zijn medewerkers moesten worden overhandigd om zijn positie als ambassadeur veilig te stellen worden door de auteurs beschreven. Het enige nadeel hiervan is dat de aandacht voor de inhoud van Haga’s dagelijkse werk wat beperkt is. Door de uitgebreide context is voorkennis van deze periode voor het lezen van het boek niet nodig.
Cornelis Haga, 1578-1654. Diplomaat en pionier in Istanbul is een prettig geschreven boek dat, naast een levensbeschrijving van de ambassadeur, een beeld geeft van de politieke en economische contacten tussen de Republiek en het Ottomaanse Rijk aan het begin van de zeventiende eeuw.
Maria Klever
