Het ontstaan van Leiden. Over de burggraaf, de ontginning, de opwas, het stadsrecht, Freek Lugt

Reviewer: Joost Westerweel

Freek Lugt, Het ontstaan van Leiden. Over de burggraaf, de ontginning, de opwas, het stadsrecht.

Primavera Pers (Leiden 2012).
ISBN: 978-90-5997-126-4.

Hardcover, met kleurenillustraties en kaarten, notenapparaat, bibliografie en register.

288 pagina’s
€ 39, 50

Het ontstaan van Leiden

Freek Lugt is van huis uit fiscalist, maar heeft zich na een carrière daarin toegelegd op lokale geschiedenis. Van zijn hand verscheen eerder het boek Het goed van Oegstgeest (2009), waarin hij de geschiedenis behandelde van het gebied tussen Katwijk en Leiderdorp voor de periode 500-1400. In Het ontstaan van Leiden doet Lugt in principe hetzelfde voor de stad Leiden en het omliggende gebied. Hij gaat onder andere in op de vraag waarom Leiden als enige stad in Holland een burggraaf had, wanneer dit precies gevestigd werd, hoe de stad gegroeid is, en hoe het precies zat met het stadsrecht. Grofweg is het boek als volgt ingedeeld: in het eerste deel (hoofdstuk één tot en met hoofdstuk drie) wordt een inleiding gegeven over het ontstaan van het gebied, in het tweede deel (hoofdstuk vier tot en met zes) komt het ontstaan van het burggraafschap aan bod, en in het derde deel (hoofdstuk zeven tot en met vijftien) staat het ontstaan en de ontwikkeling van de stad Leiden centraal. De hoeveelheid onderwerpen die hij gedurende dit proces beschrijft en het oog voor detail dat hij daarbij tentoonspreidt is indrukwekkend. Maar tegelijkertijd doet het boek schools aan en valt er ook het een en ander aan te merken op de verantwoording die in de noten wordt afgelegd.
Lugt pakt zijn geschiedenis van de stad Leiden en omstreken zo grondig aan dat hij het boek 250.000 jaar geleden begint, in de periode dat de eerste mensachtigen het gebied aandeden. Vervolgens passeren de Romeinse tijd, de periode van de Volksverhuizingen, de Merovingische tijd en de Karolingische tijd allen kort de revue. Van deze perioden is alleen de Karolingische periode van belang voor het eigenlijke onderwerp van het boek. In die periode werden namelijk het christendom en het hofstelsel geïntroduceerd in het gebied en werd het Friese recht gecodificeerd, met grote maatschappelijke veranderingen als gevolg. Dat de andere perioden ook aan bod komen is wel interessant, maar in feite overbodig voor het onderwerp. Als afsluiter van het eerste deel van het boek beschrijft Lugt in hoofdstuk drie waarom er vóór 1050 niet van een stad Leiden gesproken kan worden. Dit hoofdstuk is erg nauwgezet, helder en qua argumentatie overtuigend.
In het tweede deel van het boek wordt het ontstaan van het burggraafschap behandeld. Omdat dit tot omstreeks 1050 gevestigd was in Rijnsburg, komt ook dit gebied uitgebreid aan de orde. Ook wordt er een uitstapje gemaakt om de bredere politieke context van de periode uit te leggen, namelijk het ontstaan van het graafschap Holland en het bisdom Utrecht. De Leidse burggraven komen in hoofdstuk zes aan de orde. Zoals Lugt zelf al aangeeft is over de vroegste burggraven bitter weinig bekend (p. 73). Pas vanaf de veertiende eeuw kan er met een hoger niveau van zekerheid iets gezegd worden over deze personen. Dit betekent dat grote delen van hoofdstuk zes bestaan uit weliswaar noodzakelijke maar ook langdradige interpretaties van documenten en argumentaties van standpunten. Dit is waarschijnlijk niet aan iedere lezer besteedt.
Nadat in de eerste twee delen de lezer voorzien is van alle inleidende informatie, komt het eigenlijke onderwerp van het boek, het ontstaan van Leiden, in deel drie aan bod. Lugt beschrijft eerst de rol van de burggraaf en zijn rechten. Zijn belangrijkste functies waren het verzorgen van de tolheffing voor de graaf, het regelen van de muntslag, en het waarborgen van orde en veiligheid in de Burcht en de omgeving. In ruil hiervoor kreeg hij een aantal rechten. Voorbeelden hiervan zijn de tolheffing, waarvan hij het overschot zelf mocht houden, visserijrechten, marktrechten, en het recht van op- en aanwas in de Rijn. Volgens dit laatste recht werd alle grond die op de Rijn werd gewonnen, hetzij op natuurlijk wijze hetzij door menselijk toedoen, eigendom van de burggraaf. Met de uitbreiding van de stad zou dit een zeer lucratief recht blijken te zijn. Deze uitbreiding werd bewerkstelligd door middel van ontginning en drooglegging en wordt in hoofdstuk negen uitgebreid behandeld. Samen met de hoofdstukken tien en elf, die respectievelijk de ontwikkeling van het grafelijk hof en de opwas langs de Rijn behandelen, weet Lugt een mooi compleet beeld te geven van hoe de plaats zich vanaf een pril begin ontwikkelde tot een echte stad. Het stadsrecht van Leiden wordt behandeld in hoofdstuk dertien. Omstreeks 1213 moet dit voor het eerst verleend zijn aan de stad door graaf van Holland Willem I. In het hoofdstuk gaat Lugt uitgebreid in op een aantal artikelen die vastgelegd zijn in dit stadsrecht en de daarop volgenden. Deze artikelen omvatten onder andere regelingen betreffende tol, militaire dienstplicht, berechting van burgers, bestraffing van misdaden, en het bestuur van de stad. Aan de stad wordt verder invulling gegeven in hoofdstuk veertien, waarin Lugt onder anderen aandacht heeft voor de bevolkingsgroei, handel, nijverheid, en de markt. In het laatste hoofdstuk wordt beschreven hoe de stad zich langzaamaan ontdeed van de invloeden van de graaf en de burggraaf. Beiden bezaten nog uitgebreide stukken grond in wat tegenwoordig het centrum is. De burggraaf bezat daarnaast nog allerlei belangrijke rechten in de stad, zoals hierboven al aangestipt is. Echter, nadat de graven van Holland vanaf 1269 hun intrek namen in Den Haag werden de grafelijke bezittingen in Leiden in de loop der tijd geliquideerd. De belangen van de burggraaf werden ondermijnd door een aantal conflicten met de stad en de graven van Holland. Nadat burggraaf Filips IV van Wassenaar in een zoveelste Hoekse en Kabeljauwse twist omstreeks 1420 de verkeerde kant had gekozen raakte de burggraaf zijn politieke macht kwijt en was de stad onafhankelijk.
Lugt weet in Het ontstaan van Leiden de ontwikkeling van de stad nauwgezet en met kennis van zaken weer te geven. Het boek is veel gedetailleerder dan weergegeven kan worden in deze korte recensie en het is duidelijk dat de auteur er veel tijd en moeite in heeft gestoken. Helaas doet het boek wel schools aan. Dit komt voornamelijk doordat er per hoofdstuk veel onderwerpen behandeld worden. Daarnaast bevat elk hoofdstuk zeer veel kaderstukjes, waarin de auteur extra informatie geeft. Hierdoor raakt elk hoofdstuk gefragmenteerd en leest het boek niet als geheel. Ook is het boek zeer beschrijvend, wat eerlijkheidshalve deels te maken heeft met de aard van de onderwerpen. Het is mijns inziens lastiger een mooi vloeiend verhaal te schrijven over ontginning, stadsrechten en een gravenhof dan over, bijvoorbeeld, oorlogen en erfopvolgingen. Daarnaast gebruikt Lugt veelvuldig noten, niet om te verwijzen, maar om de lezer van extra informatie te voorzien. Meer dan een enkele keer ontbreekt het echter aan een verwijzing waar die wel op zijn plaats zou zijn geweest.
Het beste aan het boek is dat de lezer een goede indruk krijgt van hoe de stad er vroeger uit heeft gezien en hoe het zich stedenbouwkundig ontwikkeld heeft in haar eerste eeuwen. Het is interessant om te zien dat sommige van de vroegste ontginningssloten nog aanwezig zijn en ook wijst Lugt op een aantal architectonische details die nog steeds zichtbaar zijn. Voor de lezer die een affiniteit heeft met de stad is het een leuk boek om te lezen, maar het boek is te beschrijvend en schools en bevat te weinig opzienbarende informatie om als must read aan te merken.