Het nieuwe land. Het verhaal van een polder die perfect moest zijn, Eva Vriend

Reviewer: Laurens Bluekens

Het nieuwe land. Het verhaal van een polder die perfect moest zijn, Eva vriend

Uitgeverij Balans, (zevende druk) Amsterdam 2013.
ISBN: 978 94 600360 5 7

Paperback met kaart, zwart-wit foto’s, bibliografische selectie en register.
302 pagina’s
€ 18, 95

Het nieuwe land

Het deels autobiografische Het nieuwe land is het debuut van Eva Vriend (1973). Zij groeide op als boerendochter in de Noordoostpolder en wilde lange tijd haar vaders boerderij overnemen, maar inmiddels is ze journalist, historicus en docent journalistiek. Onlangs werd haar boek samen met een aantal andere titels genomineerd voor de Libris Geschiedenisprijs 2013. Deze prijs is erop gericht een goed historisch boek met een onderwerp dat een breed publiek aanspreekt en uit het Nederlandse taalgebied afkomstig is, te bekronen. Het onderwerp zal velen inderdaad tot de verbeelding spreken: Het nieuwe land gaat over de selectiemethode die de Nederlandse autoriteiten hanteerden bij het uitkiezen van boeren die graag een boerderij in de IJsselmeerpolders (onder meer het huidige Flevoland en de Noordoostpolder) wilden, die tussen 1926 en 1968 droog werden gelegd. Voor veel lezers – waaronder ondergetekende – zal het vooral een onbekend en daardoor verrassend verhaal zijn. Vooral dat er voor het bepalen van de eerste bevolking van deze volledig op de tekentafel geplande nieuwe delen van Nederland, een vorm van social engineering – in de woorden van Vriend ‘de notie van grootschalige gedragsmatige sturing van het volk’, verbonden aan het maakbaarheidsideaal – aan te pas kwam.
In een stijl die doet denken aan Jan Brokkens De Vergelding, schetst de schrijfster in zeven hoofdstukken een beeld van de polderselectie, die keihard was. Dat kwam omdat er veel meer boeren interesse hadden dan er plaats voor was en de overheid het beste van het beste wilde hebben voor dit prestigeproject. Daarbij waren er voor niemand garanties. Personen die meehielpen met het verbouwingsklaar maken van de grond van de polders en zo hoopten meer kans te maken op een boerderij, werden vaak teleurgesteld. Ook kon een boer nog zo goed zijn in zijn werk, als hij bijvoorbeeld te weinig maatschappelijk actief was, niet veel van financiële administratie wist of zijn huishouden niet op en top in orde had, kon hij fluiten naar een boerderij in de IJsselmeerpolders. Geïnteresseerde boeren konden op elk moment onverwacht bezoek krijgen van ‘selectie-ambtenaren’, die allerlei aspecten van het erf en de boerderij inspecteerden, waaronder vaak ook zelfs de linnenkast. De overheid was er naar op zoek een ideale, afgesloten gemeenschap te creëren in het nieuwe land. Van elk van de belangrijkste geloofsrichtingen moesten bijvoorbeeld ongeveer evenveel gezinnen worden aangetrokken. Plaats voor bijvoorbeeld ongetrouwden of boeren ouder dan vijftig jaar was er sowieso niet. Het belangrijkste criterium waarop de selectie-ambtenaren boeren uitkozen, was pioniersgeest. Een boer en zijn gezin moesten opgewassen zijn tegen de leegte, de kilte van de nieuwe polders, en er de kracht voor hebben om er vanaf niets een succesvolle agrarische samenleving op te bouwen. Vriend wijst er terecht op dat het concept pioniersmentaliteit voor ruime interpretatie vatbaar is. Daardoor was het mogelijk dat zelfs de boerengezinnen die aan alle voorwaarden voldeden buiten de boot vielen.
Een groot deel van het boek gaat over het verdriet van gezinnen die – soms na jaren en meerdere pogingen – telkens teleurgesteld werden. Indrukwekkend zijn de interviews met boeren die zich tot op de dag van vandaag nog gekrenkt voelen om hun afwijzing. Naast interviews, heeft Vriend haar onderzoek gebaseerd op secundaire literatuur en archiefonderzoek. Sommige delen van het boek zijn te bestempelen als ‘archiefthriller’. De schrijfster laat vroeg in het boek weten dat alle beoordelingsformulieren van de Rijksdienst – waarop de kandidaten door de selectie-ambtenaren in detail en op harde wijze werden beoordeeld – vernietigd zijn. Even later duiken er op onverwachte plaatsen toch een aantal formulieren op: ‘Hé, dit moet een van de beruchte beoordelingsformulieren zijn waarvan men denkt dat er niet één bewaard is gebleven!’.
Het nieuwe land is erg vlot geschreven en zeker de eerste tientallen pagina’s zijn erg aangenaam, maar op een gegeven moment gaat de wat kinderachtige, te persoonlijke, misschien zelfs ijdele stijl van Vriend tegenstaan. Ook de overvloedige voorbeelden die Vriend aaneenrijgt om de harde selectiemethode te illustreren, verliezen op een gegeven moment hun impact omdat ze veel op elkaar lijken. Daardoor lijkt in elk geval het eerste deel van de hoofdstukkenindeling kunstmatig; het boek voelt in deze hoofdstukken aan als een uitgesponnen brei. Dat komt ook omdat Vriend meer dan wenselijk  is vervalt in het beschrijven van ambtelijke processen, en er niet in slaagt om de personen die zij steeds laat terugkomen – waaronder haar familieleden – voldoende uit te werken om ze als effectieve rode draad te gebruiken (‘Zijn Tinus, Klaas en Bets, en Riemer en Wietske eigenlijk al “prima, goed, uitstekend en flink” bevonden?’). Een uitzondering hierop is de persoon van Bram Lindenbergh. De hoofdopziener van het selectieproces wordt overtuigend neergezet als een enorm betrokken en werklustige, maar ook bemoeizuchtige roerganger.
Pas in de latere hoofdstukken, waarin Vriend reflecteert op de uitkomsten van het selectieproject, krijgt het boek weer snelheid. Zeer interessant zijn de vergelijkingen van bijvoorbeeld criminaliteitscijfers of demografische gegevens tussen Flevoland en de rest van Nederland, of de passages over heimwee van de boeren naar het ‘oude land’ of de zoektocht naar een gedeelde geschiedenis en identiteit in de polders. Daaruit komt bijvoorbeeld naar voren dat Flevoland in de eerste jaren een buitengewoon hoog aantal verkeersongelukken met dodelijke afloop kende. Dat zou komen door ‘polderblindheid’: op lange, rechte polderwegen gaan bestuurders gauw op de automatisch piloot over, en letten ze niet meer goed op. Tot 1962 was daarnaast een rijbewijs niet eens nodig om in de polders te mogen rijden.
Het nieuwe land heeft dan wel een uitstekend onderwerp om in aanmerking te komen voor de Libris Geschiedenisprijs, de uitwerking is daar niet naar. Veel lezers zullen waarschijnlijk niet door het taaie middenstuk van het boek komen; wat dat betreft zou Vriend er goed aan hebben gedaan om haar werk wat in te korten. Dat neemt niet weg dat Het nieuwe land voor het eerst licht werp op een onbekend en interessant onderdeel van de Nederlandse geschiedenis, en dat heel aardig doet.

Laurens Bluekens