IJzeren Gordijn. De inlijving van Oost-Europa, 1944-1956, Anne Applebaum

Reviewer: Laurens Bluekens

IJzeren Gordijn. De inlijving van Oost-Europa, 1944 – 1956, Anne Applebaum
Oorspronkelijke titel: Iron Curtain: The crushing of Eastern Europe 1944 – 56 (2012)

Nederlandse vertaling: Ambo | Anthos (Amsterdam 2012)
ISBN: 978 90 263 26301 I

Paperback, met kaarten en zwart-wit foto’s, notenapparaat, bibliografische selectie en register.

Tweede druk, 549 pagina’s
€ 34, 95


IJzeren Gordijn

De door de wol geverfde Amerikaanse journaliste en historica Anne Applebaum (1964) geniet in Nederland vooral bekendheid om haar boek uit 2003: Goelag. Een geschiedenis (oorspronkelijke titel Gulag: A history). Met deze beschrijving van de geschiedenis van het dagelijks leven in de strafkampen van de Sovjet-Unie, waarvoor ze gebruik maakte van recent geopende Russische archieven, secundaire werken, dagboeken en memoires van voormalige gedetineerden en interviews met hen, sleepte ze de Pulitzerprijs voor non-fictie in de wacht.
Voor haar nieuwste pil IJzeren Gordijn. De inlijving van Oost-Europa, gebruikte Applebaum hetzelfde recept, maar belicht ze een ander onderwerp: de manier waarop de Sovjet-Unie vanaf de eindfase van de Tweede Wereldoorlog greep kreeg op het Oostblok avant la lettre en de totalitaire teugels in dit gebied in elk geval tot enkele jaren na de dood van Jozef Stalin in 1953 niet noemenswaardig liet vieren. Voor eindjaar 1956 is niet alleen gekozen omdat de Hongaarse Opstand toen definitief aantoonde dat Oost-Europa in Applebaums woorden geen ‘in ideologisch en politiek opzicht homogeen gebied’ was, want met het oog op de volksopstand in de DDR in 1953 had de schrijfster immers ook voor dat jaar kunnen kiezen. 1956 Markeert ook het jaar waarin Stalins opvolger Nikita Chroesjtsjov in zijn toespraak On the cult of personality and its consequences tijdens het Twintigste Partijcongres afrekende met de persoonsverheerlijking, de terreur en andere dictatoriale gedragingen van zijn voorganger. Daarmee werd de Destalinisatie, die al langer in gang was gezet, ook op het hoogste niveau geëxpliciteerd.
Applebaum trapt af met de beroemde uitspraak van de Britse premier Winston Churchill over het neerdalen van het IJzeren Gordijn, en met een verhandeling over de definitie van totalitarisme. Daarin haalt ze enkele vaak veronachtzaamde punten in ons historische besef aan, zoals dat er na het optrekken van de rook van de Tweede Wereldoorlog een ‘vurig geloof’ uitging van de communistische ideologie. Veel communisten in Oost-Europese landen dachten dat er genoeg steun onder het volk was om verkiezingen op rechtmatige wijze te winnen of rekenden anders op de steun van Moskou bij het grijpen van de macht. Vervolgens verdedigt Applebaum in deel I, De valse dageraad, in tien uiteenlopende thematische hoofdstukken – van economie tot politiek en van geweld tot de jeugd – de niet onomstreden stelling dat het Kremlin de ontwikkeling van Oost-Europa tot een reeks totalitaire staten van meet af aan plande en strak regisseerde. Alleen al op basis van de – overigens onbeargumenteerde – landenselectie zijn kanttekeningen te plaatsen bij die bewering. Applebaum beschrijft in haar boek enkel de ontwikkelingen in de Duitse Democratische Republiek (DDR), Polen en Hongarije. Zoals verderop nog aan de orde komt, doet ze dat op uitstekende wijze. Maar door landen als Joegoslavië en Roemenië niet mee te nemen, laat Applebaum ruimte voor kritiek. Deze landen konden namelijk niet zo stevig onder het Stalinistische juk worden gebracht als het geval was met de DDR, Polen en Hongarije. In 1948 vond er zelfs een breuk plaats tussen de Joegoslavische leider Josip Tito en het Kremlin, toen eerstgenoemde uit de Kominform werd gezet: de overkoepelende organisatie van Europese communistische partijen. Tito wilde niet teveel Russische bemoeienis en had die ook niet nodig omdat hij als enige Oost-Europese communistenleider niet impopulair was. Ook de machthebbers van de Socialistische Republiek Roemenië konden zich onafhankelijker bewegen dan gemiddeld. Applebaum heeft wel oog voor deze zaken, maar ze lijken niet veel invloed te hebben op de algemene these van het boek.
Uiteindelijk kenden de DDR, Polen en Hongarije volgens Applebaum vanaf eind 1948 allemaal dezelfde ‘basiselementen van het Sovjetsysteem’. De landen streefden dezelfde doelen na, met dezelfde tactieken. In deel II, Hoogtij van het Stalinisme, besteedt de Amerikaanse acht hoofdstukken aan het beschrijven van verschillende aspecten van het leven in deze in enkele jaren door de Sovjet-Unie getransformeerde Oost-Europese staten: een onderbelicht onderwerp. Hoofdstukken over thema’s als passief verzet, het socialistisch realisme, en de positie van overgebleven, gedoogde vijanden zoals de kerken passeren hier de revue. Applebaum schetst het beeld dat het al voor de dood van Stalin aan de oppervlakte kwam dat de drie onderzochte landen niet veel gemeen hadden en het Oostblok in die zin maar moeilijk tot een eenheid te kneden was. Na Stalins heengaan begonnen Oost-Europese leiders zich steeds meer vragen te stellen over de redenen van het falen van het communistische systeem. De antwoorden op deze vragen verschilden van land tot land. Omdat daar na 1953 en zeker na 1956 meer ruimte voor was, groeiden de landen van het Oostblok daarom geleidelijk uit elkaar. Zoals Applebaum aangeeft, wil dat niet zeggen dat het daarmee was afgelopen met de aanwezigheid van repressieve en totalitaire elementen in de onderzochte maatschappijen. Zo bereikte het aantal (in)officiële medewerkers van de Oost-Duitse inlichtingendienst, de Staatssicherheitsdienst, pas later onder Erich Honecker zijn hoogtepunt. Ideologisch gezien was het communisme volgens Applebaum echter vanaf halverwege de jaren 1950 een wassen neus. Toen het communisme na de val van de Berlijnse muur en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ook politiek failliet ging, werd de ontwikkeling van de verschillende Oost-Europese landen nog minder gelijksoortig.
IJzeren Gordijn is in termen van ambitie, omvang en onderzoeksarbeid met recht monumentaal te noemen. Met ‘briljant en goed onderbouwd, prachtig verteld, encyclopedisch in omvang en nauwkeurig in detail’, had de Britse krant The Telegraph zeer lovende predicaten in huis. Applebaum onderzocht gedurende zes jaar talloze archieven in Duitsland, Polen, Hongarije, de Verenigde Staten, Rusland en het Verenigd Koninkrijk en interviewde uit de drie eerstgenoemde landen tientallen experts en ervaringsdeskundigen. Gecombineerd met de secundaire literatuur die ze gebruikte, levert dit een overtuigende en doortimmerde synthese op van het ontstaan en het onder de duim houden van het Oostblok. De beoordeling van The Telegraph is grotendeels terecht, maar ‘prachtig verteld’ is het werk niet op elk moment. Het boek staat vol met kleurrijke, aangrijpende anekdotes en de schrijfster heeft een onmiskenbaar goede pen, maar op sommige momenten ontbreekt de rode lijn omdat ze te veel neigt naar het aaneenrijgen van persoonlijke voorbeelden. Een analytische insteek om daarnaast weer aan te haken bij de rode draad, blijft daarbij soms uit. De uitspraak die Applebaum in haar epiloog aanhaalt om het wereldbeeld van communisten, die dachten dat mensenoffers te rechtvaardigen waren voor het bereiken van hun idealen, te kenschetsen – ‘je kunt geen omelet maken zonder eieren te breken’ – is in die zin ook van toepassing op IJzeren Gordijn: het boek is zeer geslaagd, maar de lezer wordt zo nu en dan uit het oog verloren. De omelet is dus echter – in tegenstelling tot het communistische project – allerminst mislukt: Applebaums nieuwste laat weinig steken vallen, en dat is gezien de ambities van het project lovenswaardig.

Laurens Bluekens