Verkiezingen op de kaart 1848-2010, Ron de Jong, Henk van der Kolk en Gerrit Voerman

Reviewer: Michaël Hendricus Marcellinus Brinkhof

Ron de Jong, Henk van der Kolk en Gerrit Voerman, Verkiezingen op de kaart 1848-2010.

Uitgeverij Matrijs (Utrecht 2011)
ISBN 978 90 5345 437 4

Hardcover, met kleurenillustraties en kaarten, notenapparaat, bibliografie

152 pagina’s
Prijs €29, 95

Verkiezingen op de kaart

Alle drie de hoofdschrijvers van dit boek zijn historici die zich al geruime tijd bezig houden met onderzoek over onderwerpen met betrekking tot politieke partijen en verkiezingen. De Jong is voor dit boek misschien wel de belangrijkste auteur, omdat hij verantwoordelijk was voor het opzetten van de voorloper van de Databank Verkiezingsuitslagen van de Kiesraad, de database Verkiezingen Tweede Kamer 1848-1918. Daarbij heeft hij een groot aandeel in de opbouw en uitbreiding van de huidige Databank, de primaire bron van dit boek. Van der Kolk en Voerman hebben zich in hun carrière meer gericht op het ontstaan en de ontwikkeling van politieke partijen en de relatie tussen (kies)gedrag en politieke instituties (151). Hun invloed is dan ook merkbaar in de manier waarop de verkiezingen in dit boek worden beschreven.
Het boek bestaat uit twee delen, die bij elkaar vijfendertig hoofdstukken bevatten. Het eerste deel gaat over de periode van het districtenstelsel (1848-1918) en het tweede deel over de periode van evenredige vertegenwoordiging (1918 tot heden). Daarnaast is er een driedeling in stijlen te onderscheiden in het boek; beschrijvend, analyserend/vergelijkend en opnieuw een beschrijvende stijl.
Het eerste gedeelte van het boek beslaat grofweg twee derdedeel van de periode van het districtenstelsel (tot ongeveer bladzijde 56). Dit deel verhaalt over de gang van zaken aan het begin van deze periode, toen de democratie nog in haar kinderschoenen stond. In de verkiezingsperiode ging het er heel anders aan toe dan tegenwoordig. In de jaren tot grofweg 1875 was Nederland verdeeld in kiesdistricten waarbij na verschillende kiesronden de kandidaat met de meeste stemmen als vertegenwoordiger van het gehele district optrad. Men kende niet het idee van het stemmen op partijen. De kiezer koos iemand die volgens hem de juiste persoonlijke kwaliteiten had om als volksvertegenwoordiger op te komen voor het “algemeen” belang. Ideologie speelde enkel een rol in de opkomst van de stemgerechtigden. Wanneer de kandidaten van jouw district niet dezelfde religie aanhingen als jij, of als de winnaar bij voorbaat al vast stond bij gebrek aan tegenkandidaten, werd er verondersteld dat je thuis bleef. Dit begon te veranderen met twee opeenvolgende Kamerontbindingen in 1866 en 1867. Doordat de Kamer in staat bleek besluiten van het kabinet effectief te blokkeren, kwam het voortbestaan van het kabinet in gevaar. Kamerleden bleken bij belangrijke beslissingen niet volgens partijlijnen te stemmen. Dit leidde er toe dat de liberalen en conservatieven respectievelijk links en rechts van de voorzitter in de Kamer gingen zitten. Deze tweedeling kwam tijdens verkiezingen eerst tot uiting in politiek geëngageerde kiezers, die aanplakbiljetten van hun favoriete kandidaten opplakten om andere kiezers te lokken, en later, rond 1900, in het oprichten van lokale kiesverenigingen, waar korte debatten werden gevoerd en persoonlijke kenmerken van een kandidaat werden gekoppeld aan brede partijstandpunten (o.a. de schoolstrijd en de uitbreiding van het kiesrecht). Dit zou leiden tot het ontstaan van de eerste politieke partijen, waarvan de Anti-Revolutionaire Partij in 1879 de eerste was.
Het tweede, analyserend/vergelijkende, gedeelte van het boek (bladzijden 56 tot 122) beslaat het laatste deel van de periode van het districtenstelsel en het overgrote deel van de periode van evenredige vertegenwoordiging (ongeveer tot het jaar 2000). Dit gedeelte gaat in op de levenscyclus van verschillende politieke partijen in de Tweede Kamer. Vragen die hierbij steeds weer aan bod komen zijn; waarom is de partij opgericht, waar lagen de oorspronkelijke kernen van aanhang, welke partijen verloren aanhang door de nieuwkomer en hoe verging het de partij door de jaren heen.
Het laatste deel van het boek gaat in op de ‘protest’ partijen die in de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw ontstonden; de LPF en de PVV. De Lijst Pim Fortuyn haalde hard uit naar het politieke ‘poldermodel’ dat in de jaren 1990 was ontstaan. De Paarse kabinetten (VVD, D66 en PvdA) hadden door middel van overleg de economie van Nederland gestimuleerd, maar ten koste van het politieke debat. De aanslagen van 11 september 2001 leidden er echter toe dat het politieke debat weer oplaaide, vooral over het onderwerp integratie. Fortuyn speelde goed in op de onvrede en angst die heerste bij de ‘gewone’ mensen met betrekking tot de integratie van moslims. Samen met het feit dat hij twee weken voor de verkiezingen van 2002 werd vermoord, leidde dit tot het grootste kamerdebuut ooit (26 zetels). Omdat Fortuyn de LPF wás, viel de partij na zijn dood snel uit elkaar. Dit gat werd snel opgevuld door Geert Wilders en zijn PVV. Wilders combineerde een rechts vreemdelingenbeleid met weerstand tegen de uitbreiding van Europa (en dan voornamelijk Turkije) en een nationalistisch gedachtegoed.
In hun inleiding geven de auteurs aan dat zij willen dat de verkiezingsatlas toegankelijk is voor “iedereen die geïnteresseerd is in de Nederlandse politiek en in de Kamerverkiezingen, die daarvan een essentieel onderdeel uitmaken.” Hierin zijn ze geslaagd. De tekst is duidelijk en het taalgebruik eenvoudig. Hierdoor leest het boek gemakkelijk weg. Dit is een hele prestatie aangezien het onderwerp het gevaar met zich meebrengt dat men zich enkel richt op de interpretatie van statistische gegevens en de gemaakte kaarten. De auteurs hebben dit geprobeerd te vermijden door zich te concentreren op het ontstaan en de ontwikkeling van de verschillende politieke partijen (met de verkiezingsuitslagen als belangrijkste bron) en dit beschrijvend weer te geven. Deze afbakening voldoet voor het grootste deel, maar zo nu en dan hadden ze misschien beter een onderwerp in een nog wat bredere context kunnen plaatsen. Zo schrijven ze op pagina 98 dat het herstel van de aanhang van de ARP in de verkiezing van 1967 te maken had met de populariteit van Jelle Zijlstra en minder met het feit dat de partij zich bekeerde tot een ‘evangelisch-radicale’ opstelling. Wat deze evangelisch-radicale opstelling precies inhield wordt niet uitgelegd.
De poging van de auteurs om dit statistische onderwerp laagdrempelig te houden heeft ertoe geleid dat zij veel aandacht hebben besteed aan het beschrijven en uitleggen van tabellen en grafieken. Dit maakt de afbeeldingen goed te begrijpen. Een nadeel is dat ze hierdoor soms niet diep genoeg ingaan op de statistische gegevens. Een voorbeeld hiervan is te vinden op pagina 54, waar ze het hebben over een mogelijk verband tussen de politieke strijd in een kiesdistrict en de toename van het aantal stemgerechtigden tussen 1897 en 1913. Hier zou een ‘harde’ statistische associatiemaat en de significantie van het verband, hun beschrijving wat meer kracht hebben gegeven.
Naast de grafieken, tabellen en de mooie en gevarieerde kaarten bevat het boek ook verscheidende foto’s en verkiezingsaffiches. Deze stimuleren de laagdrempeligheid van dit boek en geven de auteurs de mogelijkheid door middel van de onderschriften enige uitleg te verschaffen over onderwerpen die zijdelings met het hoofdonderwerp, verkiezingsuitslagen, te maken hebben. Een klein minpunt is dat sommige van deze afbeeldingen niet op de juiste plek staan. Dit komt waarschijnlijk vanwege ruimtegebrek en de, vanwege het hoofdonderwerp, logische voorkeur van de auteurs om de kaarten voorrang te verlenen. Een voorbeeld hiervan is de afbeelding van Schmelzer die op pagina 104 staat, terwijl ‘de nacht van Schmelzer’ op pagina 102 wordt genoemd.
De kracht van dit boek ligt in de laagdrempeligheid die de auteurs hebben weten te bereiken. Hierdoor is het interessant voor journalisten, want het bevat veel cijfermateriaal dat voor achtergrond informatie gebruikt kan worden bij artikelen over Tweede Kamerverkiezingen. De laagdrempeligheid maakt het boek ook geschikt voor verdiepingsstof op middelbare scholen. Op wetenschappelijk gebied is de gebruikte database interessanter dan het boek zelf. De laagdrempeligheid heeft als keerzijde dat de auteurs niet verder gaan dan een oppervlakkige beschrijving van de historische gebeurtenissen en verbanden. Dit maakt het voor historici, die niet expliciet geïnteresseerd zijn in het cijfermateriaal, minder interessant.

M.H.M. Brinkhof